Stede Broec

   

Uit opgravingen van onder andere. grafheuvels in en om Stede Broec blijkt dat de eerste bewoning reeds ca. 2000 jaar voor Christus aanwezig was door de zgn. klokbekervolken. Ook tijdens de bronstijd is bewoning aangetoond. Volgens de geschiedschrijver Herodianus (180-238 na Christus) zijn ook de Romeinen in West-Friesland geweest. Hij bericht over stammen, koppig en eigenwijs, die leefden in onherbergzame oorden. Pas vanaf de zevende of achtste eeuw kan gesproken worden van permanente bewoning op hoger gelegen gebieden. Het steeds opdringende zeewater noodzaakte het opwerpen van terpen en het aanleggen van dijken. Het gebied van Stede Broec ligt binnen de Westfriese Omringdijk die door de mensen is aangelegd en voltooid werd tussen de jaren 1000 en 1200 na Christus.

De plek waar de bebouwing verrees - de huidige Hoofdstraat, Zesstedenweg en P.J. Jongstraat - was de enige waar in het gebied gebouwd kon worden. De ondergrond van die strook bestaat uit een zandrug. Aan beide kanten daarvan lag moerasgebied. Dat is pas toegankelijk geworden toen de bewoners in de 15e eeuw geleidelijk aan met ontginning en ontwatering begonnen.

Hoewel niet precies vaststaat wanneer de naam 'Broek' voor het eerst opduikt, is wel bekend dat er al vůůr de achtste eeuw v.Chr. in dit gebied mensen woonden.

Op de lijst van bezittingen van het kapittel van Sint Maarten in Utrecht komt Bovenkarspel in 1193 met 200 zielen voor. Grootebroek wordt voor het eerst genoemd in een bul van paus Innocentius IV omstreeks 1250. Daar woonden toen zo'n 250 mensen.

Op 2 augustus 1364 kregen Grootebroek en Bovenkarspel gezamenlijk van Hertog Albrecht van Beieren stadsrechten en het recht om een jaarmarkt te houden. Dat kan worden gezien als de start van de stede Broek. Het bestuur kwam in handen van schepenen; acht uit Grootebroek, zes uit Bovenkarspel. Zij werden geassisteerd door de schout, een soort politiefunctionaris. In 1402 sloot Lutjebroek en Horn zich aan, een jaar later Hoogkarspel. Het aantal schepenen werd uitgebreid met vier uit Hoogkarspel en twee uit Lutjebroek.Ongeveer in 1650 ontstaat er een buurtschap Andijk, dat behoort tot Stede Broec. Deze buurtschap is sterk gereformeerd. Bijna 400 jaar later, in 1786, meldde Andijk zich als vijfde partner. In 1812 wordt Andijk een aparte gemeente. In 1813 krijgen Hoogkarspel, Grootebroek en Bovenkarspel aparte raden, waardoor Stede Broec ophoudt te bestaan. 

Hoewel de stede een uitgesproken agrarisch gebied was, blijkt uit documenten dat Broek wel als een stad werd behandeld en zich ook als zodanig gedroeg. Stadsmuren, die de inwoners van een stad bescherming gaven, waren er echter niet. Daar werd iets op gevonden: wie langdurig buiten de stad verbleef, moest dat bij de schout melden. Hij kon dan evengoed op bescherming rekenen. Iedereen kon twee keer per jaar veertig dagen buiten de stad vertoeven: in de zomer om te oogsten, in de herfst om te zaaien. Het stad zijn leidde tot concurrentie met het naburige Enkhuizen, dat vooral dwars lag toen Broek een haven wilde aanleggen. De Broekerhaven werd uiteindelijk toch in 1450 opgeleverd. Broekerhaven werd uiteindelijk ook een eigen woonkern, naast de bestaande dorpen
.

Stadsrechten waren in het middeleeuwse Europa bijzondere rechten en privileges die aan een plaats werden toegekend. Hoewel hieronder vaak meerdere rechten (zoals marktrecht, tolrecht en het recht om stadsmuren te bouwen) worden verstaan, ging het in essentie om het recht van de stad op eigen rechtspraak. Aan burgers werd het recht verleend hun zaak te bepleiten voor een rechtbank van "gelijken" in plaats van onderworpen te zijn aan het recht van de landheer. Feitelijk is er dus sprake van stadsrecht en niet van stadsrechten. In een afzonderlijk privilege kon ook het recht op wetgeving (keur) worden verstrekt en het recht om de eigen schout en stadsbestuurders te benoemen.

Stadsrechten waren een fase in de ontwikkeling van het juridisch systeem in Europa. Met het verdwijnen van het feodaal stelsel en het toenemende belang van de centrale (rechts-)staat kwam er ook een einde aan het stadsrecht. Stadsrechten hadden betrekking op zaken als:
 

Bestuur:

  • Stadsbestuur: de gegoede burgerij kon soms zelf de bestuurders kiezen die in de stadsraad zitting moesten nemen.
  • Rechtspraak en wetgeving: Binnen aangegeven grenzen was de stad vrij om zelf wetgeving en rechtspraak uit te oefenen. De stad werd hierdoor bestuurlijk uit het omliggende land gelicht waar de wetgeving van de landheer gold. Burgers hadden het recht voor een eigen rechtbank te verschijnen. Bijzonder aan deze vorm van rechtspraak was dat ze persoonlijk was; het soort recht was afhankelijk van persoon in kwestie, niet het grondgebied waarin deze persoon zich bevond. Dat betekende dat wanneer een inwoner van, bijvoorbeeld, Breda een moord beging in Antwerpen, hij berecht werd volgens het recht van Breda, niet dat van Antwerpen.
  • Belastingen: Het stadsbestuur verwierf het recht om binnen de eigen grenzen belastingen op te leggen aan ingezetenen.

Privileges:

  • Stadsmuren: het recht om een muur rondom de stad te bouwen.
  • Marktrecht: het recht om markt te houden (en daarvoor te laten betalen).
  • Stapelrecht: het recht om bepaalde handelsgoederen als eerste te mogen stapelen en verkopen.
  • Tolrecht: het recht om tol te heffen, eigen burgers waren daarvan veelal vrijgesteld wat bijdroeg tot de aantrekkelijkheid als vestigingsplaats.
  • Muntrecht: enkele steden waren vrij hun eigen geld te slaan.
  • Waagrecht: het recht om goederen te wegen in een waag.

Rond 1800, in de 'Franse tijd', veranderde de bestuurlijke indeling van Nederland meermaals. Het uiteindelijke resultaat was dat Hoogkarspel, Bovenkarspel en Grootebroek (samen met Lutjebroek) aparte gemeenten werden; de gezamenlijke 'stede' werd opgeheven. Deze twee dorpen kregen op 26 juni 1816 elk hun eigen wapen.

   Dat van Bovenkarspel was van zilver met daarop een boom van sinopel ((smaragd)groen) en twee sterren van goud.

  Grootebroek voerde al een wapen, dat 'werd bevestigd in het gebruik en bezit van een wapení -zoals de officiŽle formulering luidde- 'van lazuur ((hemels)blauw), beladen met een boom van zilver vergezeld van drie sterren van goud'. Daarbovenop stond  nog een gouden kroon.

Grootebroek beschikte over een schutterij. Dat blijkt uit een akte die Jan van Beieren op 2 maart 1424 opstelde en waarin hij de waag met toebehoren aan de schutters schonk. In 1415 zijn er gilden, zo blijkt uit documenten: het Silvestergilde en het Klerkengilde.

In het jaar 1591 werd er een weg aangelegd tussen Hoorn en Enkhuizen, dwars door Stede Broec. Tot dan toe was de verbinding een pad van klei, met hier en daar wat zand. Omdat er nog geen vuilophaaldienst was, gooiden de bewoners alles wat ze kwijt wilden op de weg. Het werd platgereden door de paarden en wagens, het veroorzaakte een verschrikkelijke rommel en stagneerde vaak het verkeer. Daar kwam nog bij dat de overgangen over de sloten primitief en gevaarlijk waren. Omdat Hoorn en Enkhuizen veel contact met elkaar hadden, besloot men in de eerste helft van de l7e eeuw de toegang tot de beide steden te verbeteren. Besloten werd een straatweg aan te leggen. Er werden heel wat klinkers in verwerkt en toen de weg officieel werd geopend was men terecht trots op deze prestatie.

Het stadsbestuur van de stede Broek heeft bij de plannenmakerij nog behoorlijk dwars gelegen. De ontwerpers wilden bomen langs de weg, maar daar was Broek't niet mee eens. Waarvoor ze bang waren is niet duidelijk. Pas toen Enkhuizen dreigde dat de weg helemaal niet door zou gaan als de Broekers bleven tegenstribbelen, gingen ze door de knieŽn. In 1671 was de straatweg tussen Hoorn en Enkhuizen klaar. Er zijn lyrische beschrijvingen bewaard gebleven over dit prachtig ogende staaltje van vernuft.

In 1811 werd de weg doorgetrokken naar Amsterdam en opnieuw bestraat met klinkers.

In 1731 ontdekte men dat de paalworm de palen, waarmee de wierdijken (zeedijken) verankerd waren, zover aangetast had dat de dijken bij een storm van enig formaat zouden bezwijken. De waterschappen schreven een soort prijsvraag uit in de hoop dat het verlossende woord in deze nare zaak zou worden gesproken. De burgemeesters van Stede Broec, de heren Pieter Straat en Pieter van der Deure gaven de oplossing: de dijken aan de zeezijde versterken met grote keien. Deze werden in het begin uit Drenthe gehaald. Eerst werden veel hunebedden gesloopt, later moesten de keien zelfs uit Noorwegen en Denemarken gehaald worden. De hoge kosten moesten door de bevolking opgebracht worden.

Rond 1880 verschenen de eerste trambanen en spoorwegen. West-Friesland beschikte in 1884 over een spoorverbinding tussen Hoorn en Enkhuizen, tussen Hoorn en Alkmaar en tussen Hoorn en Medemblik.

Pas na de Tweede Wereldoorlog is de welvaart in Stede Broec weer toegenomen, enerzijds door de komst van de fabrieken, anderzijds door de opkomst van het toerisme en verdere ontwikkeling en groei van de bloembollenteelt. Stede Broec is vooral veranderd door de bouw van grote nieuwbouwwijken ten behoeve van de overloop uit de steden en door de verkaveling in de zeventiger jaren, waardoor de 'vaarpolder', waarin de tuinders werkten, veranderd werd in een 'rijpolder'.

Op 1 januari 1979 voegden de gemeenten Grootebroek en Bovenkarspel zich weer samen tot de huidige gemeente onder de naam Stede Broec, een verwijzing naar de historische gezamenlijke stadsrechten met de plaatsen Lutjebroek, Horn, Grootebroek, Bovenkarspel en Broekerhaven.

Op 16 november 1852 werd bij Koninklijk Besluit bepaald dat een burgemeester een onderscheidingsteken moest dragen als hij in het openbaar optrad, bijvoorbeeld bij ontvangsten, raadsvergaderingen, brand, oproer. Het moest een zilveren penning aan een ketting of aan een oranje zijden lint zijn. Op de penning moest het wapen staan of, als er geen wapen was, de naam van de gemeente.

Toen Bovenkarspel en Grootebroek in 1979 werden samengevoegd, is besloten om een nieuwe ambtsketen te laten maken. Uit de twee oude ketens was, zo vond men, geen enkele symboliek af te lezen en de geboorte van de nieuwe gemeente Stede Broec was een mooie gelegenheid om een keten te laten ontwerpen waarin die wel tot uiting kwam. De keten is uitgevoerd in zilver, waarvan bepaalde delen verguld zijn. Aan de ene kant van de penning staat het wapen van Stede Broec, aan de andere kant het rijkswapen. Daarboven is een verguld vaartuigje bevestigd, omgeven door bloeiende tulpen. Het bootje heeft een dubbele betekenis: enerzijds wijst het op het feit dat het grondgebied van Stede Broec vroeger een vaarpolder was, waar de tuinders hun produkten met een schuit naar de schuur of de veiling brachten. Anderzijds symboliseert het bootje de Broekerhaven, die al eeuwen van grote betekenis is voor de gemeente en het achterland.

Boven het bootje begint de 'ketting' van de ambtsketen, met aan de ene kant het wapen van Grootebroek, aan de andere dat van Bovenkarspel. Verder naar boven zitten tussen de schakels vergulde tulpebollen en figuurtjes die groente symboliseren, de twee belangrijkste tuinbouwprodukten. Tenslotte zitten er in de keten vijf sterren, die in de oude wapens de drie kernen van Grootebroek en de twee kernen van Bovenkarspel aanduiden.

Eind jaren 60 van de 20e eeuw werd begonnen met - voor dorpen - grootschalige nieuwbouw in Bovenkarspel en Grootebroek, om bevolkingsoverloop uit de Randstad op te vangen. Beide dorpen werden aan elkaar vastgebouwd en Stede Broec groeide uit tot een woonkern met ruim 20.000 inwoners. Bij het treinstation Bovenkarspel-Grootebroek is een kunstmatig centrum van deze woonkern gecreŽerd, met als belangrijkste trekker het grote winkelcentrum "Streekhof", dat een regionale functie heeft.

Broekerhaven lag vroeger aan de Zuiderzee. Sinds de afsluiting van de Zuiderzee ligt het aan het Markermeer. Het vormt nog altijd een eigen kern, al valt de plaats formeel onder Bovenkarspel. In de polder tussen het oude Bovenkarspel en Broekerhaven ligt de wijk Plan Zuid, waardoor Broekerhaven nu zo goed als aansluit bij de rest van de bebouwing van Stede Broec.

Stede Broec is een gemeente in de regio West-Friesland in de Nederlandse provincie Noord-Holland. De gemeente telt 21.656 inwoners en heeft een oppervlakte van 16,4 km≤. Stede Broec grenst aan Enkhuizen en ligt aan het Markermeer.

Stede Broec bestaat uit de dorpen Bovenkarspel, Grootebroek en Lutjebroek (van oost naar west). Deze dorpen lagen van oudsher al tegen elkaar aan, maar sinds de jaren 70 van de 20e eeuw zijn Bovenkarspel en Grootebroek volledig aan elkaar vastgebouwd, waardoor beide dorpen in feite ťťn woonkern vormen. Het kleinere Lutjebroek ligt nog enigszins los van deze hoofdkern.

Lange tijd was tuinbouw (met onder meer bloembollenteelt) de belangrijkste economische activiteit in de dorpen van de gemeente. Sinds de grote uitbreidingen fungeert Stede Broec echter voornamelijk als forenzengemeente voor de Randstad en de grotere plaatsen in Noord-Holland.

De gemeente vervult, naast Hoorn en Enkhuizen, een beperkte verzorgingsfunctie voor oostelijk West-Friesland, met een groot winkelcentrum en voortgezet onderwijs.

Belangrijkste verbindingswegen in de gemeente zijn de oost-west verlopende N302 (Drechterlandse weg; ten noorden van de bebouwing) en N506 (Provinciale weg/Zuiderdijk; ten zuiden van de bebouwing). De Hoofdstraat/Zesstedenweg/P.J. Jongstraat, de weg waar de drie dorpen aan zijn ontstaan en van oudsher de belangrijkste verbinding, is op veel plaatsen verkeersluw gemaakt en wordt ter hoogte van het winkelcentrum zelfs geheel onderbroken. Stede Broec ligt aan de spoorlijn Amsterdam-Enkhuizen en heeft twee stations.

De haven van Stede Broec, Broekerhaven, is tegenwoordig als kleine jachthaven in gebruik. Hier staat ook het belangrijkste monument van de gemeente, De Overhaal, een scheepslift waarmee vroeger schuiten vanuit de haven in de veel lager gelegen poldersloot werden getild (en vice versa).

In het noorden van de gemeente ligt het recreatie- en natuurgebied "Het Streekbos".

 

 

 

 

Copyright 2001 - 2018 Karigro. Alle rechten voorbehouden  |  Colofon  Privacy  |  Disclaimer