De geschiedenis van Grootebroek is erg gekoppeld aan die van het naastgelegen Lutjebroek. De namen Grootebroek en Lutjebroek (lutje = klein) verwijzen naar de grootte van de kernen en de ligging in een broek. De kernen liggen van oorsprong op de zandrug die door het moerasachtig gebied loopt.

Ver voordat deze benamingen voor de plaatsen opduiken werden de zandheuvels al bewoond. Bij Grootebroek zijn drie grafheuvels uit de bronstijd gevonden. Ook van bewoning in de vijfde eeuw voor onze jaartelling zijn sporen teruggevonden. Het is niet zeker dat er tot de huidige tijd continue bewoning van het gebied is geweest. De benaming 'Grootebroek' komt voor het eerst voor omstreeks 1250 in een bul van paus Innocentius. Er woonden in 1250 zo'n 250 inwoners.

In 1364 kregen Grootebroek en Bovenkarspel gezamenlijk stadsrechten onder de naam Broek. In later jaren werd vrijwel uitsluitend van de stede Grootebroek gesproken. In 1402 kwamen ook Lutjebroek en Horn onder de stede te vallen en een jaar later ook Hoogkarspel. Uit een akte van 2 maart 1424 van Jan van Beieren blijkt dat Grootebroek over een schutterij beschikte.

Grootebroek kende tussen het einde van de 17e eeuw en halverwege de 18e eeuw twee grote dorpsbranden. In 1694 gingen 40 huizen geheel verloren aan de brand. Deze huizen waren allen gelegen aan de huidige Streekweg. Nog geen 60 jaar later was het opnieuw raak. Toen werd de helft van de bebouwing verwoest en moesten de bewoners een collecte houden in De Streek om alles weer op te kunnen bouwen. Dertien jaar later zou het naastgelegen Lutjebroek getroffen worden met een grote dorpsbrand.

In 1694 trof een grote brand Grootebroek. Met de toen gebruikelijke manier van blussen -men gaf elkaar vanaf de sloot eninierijes water door- was er geen houden aan, vooral ook omdat de huizen dicht op elkaar stonden. Veertig huizen gingen verloren en het plaveisel van de straatweg, de trots van de stad, had zwaar te lijden. De Broekers zagen geen kans geld bijeen te brengen om deze nieuwe ramp het hoofd te bieden. De vindingrijke pastoor van het Lutjebroeker schuilkerkje lanceerde het plan om in andere delen van het land een collecte te houden. Twee ondernemende Lutjebroekers gingen op pad met een aanbeveling van het stadsbestuur. Ze kwamen terug met 125.000 gulden! Daarmee konden de getroffenen worden geholpen.

Tijdens de periode dat de stede in 1807 werd opgedeeld in diverse gemeenten en de stad in 1825 na enkele meningsverschillen was ontbonden, verviel Grootebroek, dat ondertussen samen met Lutjebroek de gemeente Grootebroek vormde, langzaam in armoede. Na 1825 werd dit erger. Dit kwam deels doordat de inkomsten van de inwoners vooral moest komen van aardappelen, die toen uit de gratie waren gevallen door de aardappelziekte. Aardappelen werden toen vooral gegeten door de armen en gebruikt als veevoer. Het aantal hectares dat geteeld kon worden in de gemeente wisselde ook te veel en men had moeite met de distributie buiten De Streek zelf.

Pas toen in 1885 de spoorlijn tussen Zaandam en Enkhuizen gereed kwam, verminderde de economische malaise en groeide de tuinbouw langzaam. Na de oprichting van "Veiling de Tuinbouw" bloeide het gebied zelfs enorm op. Hierdoor ging de levensstandaard van de bevolking flink omhoog.

Kermis in de Pieter Noordelooslaan.

 

\

Zesstedenweg

 

Zesstedenweg 1923

 

De Esdoornlaan.

 

Technische school in 1955 in de Pieter Noordelooslaan met de Industrieweg op de achtergrond.

 

Paardentram bij de Remise.

 

 

Copyright 2001 - 2018 Karigro. Alle rechten voorbehouden  |  Colofon  Privacy  |  Disclaimer