De Molens

De gegevens van uitvinding van de windmolen zijn verloren gegaan in de nevel van de geschiedenis. Historische bronnen zijn niet altijd te gebruiken, met name doordat er lang niet altijd specifiek vermeld wordt of het een watermolen of een windmolen betreft. Lang is men ervan uitgegaan dat het eerste windmolentype in Europa de standerdmolen is geweest. Maar dit type molen is zo ingenieus geconstrueerd dat het er onmogelijk zo maar opeens geweest kan zijn. Het is daarom aannemelijk dat de standerdmolen door een ontwikkelingsfase is gegaan die enige honderden jaren geduurd heeft. De eerste windmolens verschenen rond het jaar 1000 in Noordwest-Frankrijk, Vlaanderen en Zuid-Engeland. Feitelijk waren dit watermolens geplaatst op een centrale paal waarbij het rad vervangen was door wieken. De laatste exemplaren van de "inverted mill" zijn waarschijnlijk rond 1930 verloren gegaan en hebben nagenoeg geen sporen achtergelaten. Op een oude foto gemaakt in Rusland is een groepje van deze molens te zien waarvan de meest rechtse de originele vorm is. Het is duidelijk te zien dat de as horizontaal ligt en vrij laag in de kast ligt. Dit betekent dus dat de maalstenen -net als bij een watermolen- van onderen aangedreven werden.

Hieronder worden  de molens in stedebroek beschreven.

 

De Korenmolen "Ceres"

Volgens overlevering is deze molen een verplaatste Zaanse molen. Dit is juist gebleken: het gaat om de in 1848 te Zaandijk gesloopte (en vr 1650 gebouwde) oliemolen De Oude Haas. Oorspronkelijk kreeg de molen de naam De Haas, maar toen de Venhuizer Coperatieve Landbouwaankoopvereeniging annex malerij, genaamd Ceres in 1908 de wiekendrager met toebehoren aankocht, kreeg de molen prompt die naam. Tientallen jaren maalden molenaar Jan Dekker Sr. en jr. het veevoer voor de bij de coperatie aangesloten boeren, eerst d.m.v. windkracht, later elektrisch. Tot 1968 bleven de molenstenen draaien. Daarna ging het wiekenkruis nog wel geregeld rond, maar het veevoer kwam uit de fabriek in Hoorn. In 1986 werd de stichting De Westfriese Molens eigenaar van de molen. Op dat moment was al duidelijk sprake van verval: met name het onderachtkant werd slecht en daarmee kwam de stabiliteit van de molen in gevaar. Gelukkig trokken enkele enthousiaste vrijwilligers zich het lot van de molen aan. De stichting Vrienden van molen Ceres werd opgericht; in 1992 begon de demontage en kort daarna startte de restauratie, waarvan de eerste fase - het wederopbouwen - op heel veel vrije zaterdagen werd uitgevoerd. Kap en bovenachtkant werden naast de onderbouw neergezet, waarna deze laatste kon worden vernieuwd. Vervolgens werd de molen in fasen gerestaureerd; midden 1998 was Ceres weer maalvaardig.

De romp bestaat uit een wat licht gebouwd grenen onder- en bovenachtkant. Het onderachtkant heeft twee aan twee evenwijdig staande stijlen en is op een tafelement geplaatst op twee aan twee evenwijdig geplaatste penanten. Bij de herbouw in de jaren 90 van de 20ste eeuw is de onderbouw 75 cm. verhoogd ten opzichte van de oude situatie. De maalzolder, tevens stellingzolder, is relatief hoog. Op de wat lage steenzolder bevinden zich twee koppel maalstenen. Het sleepluiwerk is aangebracht op een velg op het spoorwiel. De molen heeft een vrij korte koningspil, die op de onderste bintlaag van het bovenachtkant rust en door middel van een wervelbalk aan het ondereind verschuifbaar is gemaakt. Tot in het begin van de 20ste eeuw is er een pelsteen aanwezig geweest, die op de stellingzolder moet hebben gelegen. Deze ongebruikelijke ligging wijst erop, dat de pellerij waarschijnlijk niet bij de bouw van de molen maar pas later is aangebracht.

Deze molen bestaat nog steeds en staat aan de  Broekerhavenweg 80, 1611 CH Bovenkarspel,

 

 

De Korenmolen "De Ruiter"

Op de eerste landkaart van 1560 van Grootebroek (Jacob van Deventer), komt de molen al voor. De molen werd samen met de voorloper van "Ceres" in Bovenkarspel (die niet op de zelfde plek stond als zijn in 1848/1849 neergezette opvolger, maar een heel stuk westelijker) en 'De Windhond' in Hoogkarspel, gebruikt om boekweit, gerst en bonen te malen. De grondstoffen werden waarschijnlijk in de polder 'Het Grootslag' geteeld. Boekweitgrutten werd veelverkocht, het was een goedkoop en daardoor belangrijk volksvoedsel. Alledrie de molens hebben langs de Tocht gestaan, dat grote water was gemakkelijk voor de aanvoer van graan en afvoer van meel. Het was bovendien voordelig voor de nabijgelegen bakkerij aan de Zesstedenweg, toen simpelweg straatweg geheten. Tevens was het een goede plek voor een onbelemmerde windaanvoer uit het Zuidwesten. Voor 1734 werd de Grootebroeker molen bemalen door twee broers, Jacob en Dirk Pietersz Molenaar. Op 1 november 1729 kocht de uit Monnickendam afkomstige Krijn (van)Slingerland(t) de molen van de toenmalige eigenaars Jan Molenaar, Ouke Molenaar. Eind mei 1771 overleed Krijn Slingerland. In ongeveer 1784 is de molen in handen gekomen van Pieter, Jacob en Johannes Pool. Bijna tien jaar later, om precies te zijn op 11 februari 1794, kwam de molen in handen van de toen bijna 23 jarige Luitje Fransz. In 1829 was de uit Duitsland afkomstige Carl Anthon Steltenpohl eigenaar van de molen. Door de verschrikkelijke storm van 29 november 1836, die het hele land heeft geteisterd, werd de molen 'De Ruiter' omvergeblazen en volkomen vernield (ook De Vrede in Bovenkarspel woei toen om). Carl Anthon Steltenpohl, eigenaar van 'De Ruiter' kreeg o.a. 1460,- vergoeding uit het fonds voor kwade posten, de overblijfselen van de verwoeste molen brachten 540,- op en in juli 1838 kreeg hij bericht van de gouverneur van Noord-Holland dat hij een 'onderstand' (ondersteuning) van 2540,- plus 254,- kreeg. De molen kon worden herbouwd, hetgeen gebeurd is. De herbouw was begroot op ongeveer zesduizend gulden. We weten niet of dit er ook voor betaald is. De molen werd f in 1906 f in 1907 gesloopt.

 

 

De Korenmolen "De Vrede"

De molen komt reeds voor op de door Jacob van Deventer in 1560 getekende landkaart van de stede (Groote)Broec. Ook volgens een in 1680 verschenen kaart  (Waterlands Archief volgnr. 33_KA00487) stond de molen in die tijd aan de noordkant van de Tocht, een parallel aan de dorpen Bovenkarspel en Grootebroek lopende watering, dichtbij de grens met Grootebroek. In 1830 stond op deze plaats de standerdmolen De Vrede, die eigendom was van Jacob Janse Smit, molenaar te Bovenkarspel. Er wordt op de kadasterkaart een ronde voet weergegeven, dus toen was de voet afgesloten. De molen had een vlucht van 82 voet en twee paar stenen die niet gelijktijdig gebruikt konden worden. Zowel 'De Vrede' van Bovenkarspel als 'De Ruiter' van Grootebroek is tijdens de verschrikkelijke storm van 29 november 1836 omgewaaid. 'De Vrede' van Smit werd niet herbouwd. Hier kwam later het treinstation Bovenkarspel-Grootebroek. Pas in 1848 kwam er met de bouw van de nog bestaande De Ceres (Ned.Molendbnr. 644) weer een korenmolen in Bovenkarspel, wel een stuk oostelijker.

 

 

De Houtzaagmolen "De Eendracht"

Tussen de huidige evenwijdig lopende Houtstraat en Zuiderzee Route stond al heel lang geleden een molen. Op een kaart van het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West-Friesland, waarvan de eerste druk in 1680 verscheen is al op deze plek een molen te zien. In een acte van 15 juni 1716, die werd verleden voor de Grootebroeker notaris Jan Groot. De eigenaar was toen Jan Willemsz. Moens, wonende aan de zaaghmolen op het wegje, streckende van de tochtebrugh af aan Broekerhaven. Op 16 november 1728 overleed Jan Willemsz Moens, de toenmalige eigenaar van de molen. De molen werd nagelaten aan zijn echtgenote Marijtje Aldert Sevenhuijs, zijn broer Cornelisz Moens en de zoon van zijn zuster Cornelis Jansz Borst uit Ursum. Zij moesten binnen 6 weken de molen verkopen volgens het testament. Op 12 april 1729 werd de molen met huis, erf, schuren, schuiten en gereedschap verkocht aan Gerrit en Jan Dardhalf (vader en zoon) kooplieden in hout uit Enkhuizen. Zoon Jan trouwde op 4 juli 1733 met Maritje Cornelsdr Steeman en woonden bij de molen. Jan was burgemeester, schepen, weesmeester en ouderling. Op 2 april 1764 overleed Jan Dardhalf en zijn vrouw op 19 december 1764. Er waren geen kinderen dus werd de molen nagelaten aan de drie molenaarsknechten Maarten Coning, Cornelis Tromp en Luit Thijsz. De molen werd eigendom van de drie knechten die het bedrijf toch niet konden runnen. Op 11 april 1765 verkochten zij de molen aan de Enkhuizer schepen Jan Coning die optrad als voogd over de minderjarige Jan Brouwer. De naam de Eendracht werd toen al vermeld in de akte Jan Brouwer heeft gedurende bijna 30 jaar het houtzagersvak uitgeoefend. Op 15 januari 1793 verkocht hij de molen met schuren en erf aan Pieter Schotsman, burgemeester van Grootebroek. De zoon van Pieter, Dirk ging het houtzaagbedrijf runnen. Dirk werd later burgemeester van Grootebroek (van 1817 tot 1847) waarna zijn twee zonen het bedrijf overnamen. In 1883 kwam Simon Bakker in Bovenkarspel wonen, beroep houtzager. Hij kwam uit een Zaanse molenaarsfamilie. 20 jaar bleef hij in dienst bij Schotsman Schotsman verkocht de molen in 1902 aan Herman Bakels te Enkhuizen, die de molen voor Simon Bakker kocht. Tot 1916 heeft de molen op windkracht gezaagd. Er werd overgegaan op machinaal zagen, wat het einde betekende voor de molen.

 

 

De Maalmolens "Zuidermolens"

Liefst vijf achtkante bovenkruiers stonden er tot 1907 ten zuidwesten van de Broekerhaven. De molens stonden bekend als de Zuidermolens. Samen met drie Oostermolens bij Enkhuizen en vijf Noordermolens bij Andijk, hadden ze tot taak om polder Het Grootslag droog te houden. Ondanks dat ze in de loop der jaren zijn aangepast om meer water te verplaatsen, voldeden deze molens toch niet: na een flinke regendag moesten ze vijf dagen malen om het polderwater weer op peil te krijgen! In 1863 werd ter vervanging van de drie Enkhuizer molens een (hulp)stoomgemaal gebouwd bij Andijk. En molen bij Andijk werd in 1883 gesloopt en de overige negen verdwenen nadat in 1907 bij Broekerhaven een nieuw gemaal was gebouwd. Bij de sloop van de Zuidermolens bleef het metselwerk achter. Tijdens graafwerkzaamheden in het Oranje Nassaupark werden van n van de molens metselwerken aangetroffen.

Het fundament voor stoomgemaal Het Grootslag is al gelegd. Op de achtergrond staan vier van de vijf Zuidermolens in onttakelde toestand. Na 1545 werden er vier molens gebouwd aan het oosteinde van de Wijzend, ten zuidwesten van de Broekerhaven. In het jaar 1616 werd besloten om daar nog een vijfde molen te plaatsen. De molens bij Broekerhaven zijn in de loop der jaren aangepast om meer water te kunnen verplaatsen. Omstreeks 1843 werden ze uitgevoerd met een vijzel om het water te verplaatsen. Voor die tijd werd hiervoor een scheprad gebruikt. Na de in bedrijfname van het stoomgemaal in Broekerhaven werden de molens gesloopt.

 

 

 

Copyright 2001 - 2018 Karigro. Alle rechten voorbehouden  |  Colofon  Privacy  |  Disclaimer